Horseman Kropper
Door: Sijmen van Mourik


De diefduivensport wordt nog steeds in enkele landen in Europa bedreven. Bij mijn weten zijn dit Spanje, Nederland (voornamelijk in de omgeving van den Haag) en Schotland (vooral in de omgeving van Glasgow en Edinburgh). Onder diefduivensport versta ik in dit geval het vangen van een andere duif m.b.v. een duif van het andere geslacht d.m.v. seksuele aantrekkingskracht (er is nog een andere methode). De duiven die voor deze tak van de diefduivensport gebruikt worden zijn over het algemeen kroppers.
In het SIS-blad wordt voornamelijk gesproken over de Spaanse rassen en eventueel de Haagse Tilkroppers, over de Schotse (Britse)  variant lezen we zelden. Gezien de stijgende belangstelling voor de Horseman een overzichts artikel over dit oude ras.

Het eerste wat opvalt is de vreemde naam. Hoe kom je in vredesnaam aan de naam paardenman kropper. Er zijn een aantal verklaringen die de moeite van het vermelden waard zijn of ze waar zijn is een ander verhaal. Twee ervan staan hieronder.

In vroegere tijden was het gebruikelijk om goederen en personen per postkoets te vervoeren. In het ruige Groot Brittannië met zijn vele vrij kale vlaktes was het gebruikelijk om deze koetsen te beroven door gebruik te maken van het paard. Deze rovers werden aangeduid met de term Horseman. Volgens een schriftelijke overlevering werd deze term al omstreeks 1676 door Willoughby gebruikt voor een duiven soort in één van diens artikelen. Letterlijk heeft hij het over de “Light Horseman Pigeon”.
Een tweede mogelijke verklaring is een verhaal uit de Schotse mijnbouw. Zowel in als buiten de mijnen werden paarden gebruikt voor het vervoer van steenkolen, een afschuwelijk doch niet te vermijden bestaan voor deze dieren. Voor het vervoer van de mijn naar de diverse havens werden kleine wagens met dito paarden gebruikt. De verzorgers werden paardenmannen of in het Engels Horseman genoemd. Onder de dekzeilen van hun wagens namen zij kleine kroppers mee. Deze dieren werden 's avonds losgelaten in de hoop dat zij terugkwamen met een andere duif die een welkome aanvulling op het karige menu betekende.
Dat de Horseman kropper van oude oorsprong is blijkt wel uit het feit dat er in 1676 al over geschreven werd. Of het toen al de duif was die wij nu kennen is echter twijfelachtig. In een tweede publicatie van Willoughby in 1678 wordt er gesproken over de Light Horseman .... een soort van bastaard van de kropper en de carrier .... met wratten en gezwollen krop .... die hun hok niet in de steek lieten.

Ze waren toen kennelijk al vrij populair aangezien er in 1728 al een advertentie staat in een Londense krant waarin men ze te koop aanbood.
De eerste afbeelding die we kennen stamt uit 1738 in een werk over vogels. Het onderschrift luidt “De Horseman duif no. XLV (45); Bastaard ras - een kruising tussen de Carrier en Kropper en soms de Carrier en Dwerg(?) .... van een donkere blauwachtige askleur .... ze worden gehouden om andere duiven te vangen en veel gebruikt door onze Londense duiven handelaren. Ze nemen de doffer zodra de jongen zijn, ze gooien hem omhoog en hij zal, door rondjes te draaien zich ervan verzekeren dat één of enkele duiven, als ze rondvliegen, hem volgen naar zijn eigen hok” (vrij vertaald en aangepast aan onze moderne taal). Uit dit onderschrift wordt duidelijk dat men toentertijd deze duiven reeds gebruikte op de ons bekende manier. geboren zijn mee en brengen hem naar een plek waar duivenhokken
Uit de aangehaalde literatuur uit het verleden is tevens op te maken dat, net als bij ons de Haagse Tilduif, de Horseman is ontstaan uit een kruising tussen een kropper en een soort postduif iets waar men tot voor kort in Schotland ook bij de training van de duiven rekening mee hield (zie verderop). Natuurlijk is de veredeling verder gegaan tot dat de Horseman er uit zag zoals wij hem kennen. Tegenwoordig wordt de Horseman vooral in Schotland nog als vangduif gehouden in de overige regio is hij voornamelijk bekend als showduif.
Vooral in en rondom Glasgow en Edinburgh zitten nog veel flyers - hoe zij met hun dieren omgaan verschilt eigenlijk niet veel van de Haagse methode. Toen Ruben mij vroeg een stukje over de Horseman te schrijven was hij vooral hierin geïnteresseerd dus heb ik een kennis speciaal hiernaar laten vragen toen hij in Engeland was om enkele dieren voor mij en zichzelf op te halen.
Het blijkt dat de meeste flyers hun dieren niet zelf fokken.
Aan het einde van het clubkampioenschap van de speciaalclub worden de restanten van de tentoonstellingsmannen verkocht aan de flyers op een veiling zoals die vaak bij de shows gehouden worden. Als u de kans krijgt moet u die zeker bezoeken het is een echt spektakel en steek niet per ongeluk uw hand op - de prijzen zijn namelijk, naar onze begrippen, zeer pittig.


De dieren worden gehuisvest in lichthokken van 40 cm x 40 cm x 40 cm. Dit is in onze ogen vrij klein gezien de grootte van deze duiven (zo groot als een Voorburgse Schildkropper). Het voeren geschied slechts één keer per dag bijv. om 19.00 uur. Na het vliegen worden de dieren niet gevoerd. Het voer mengsel bestaat uit een mengeling zonder maïs met gerst en met zo min mogelijk tarwe. Volgens hen krijgen de dieren dunne mest van de tarwe.

Alle dieren zijn gekoppeld aan een vaste partner. De training bestond bij de geïnterviewde uit het vliegen met paren op maandag en donderdag. Op vrijdag, zaterdag en zondag vliegt hij met individuele dieren - dus doffers en duivinnen solo. Dan gebeurd dus het eigenlijke vangen.
Op de vraag of de doffers lief waren voor hun duivinnen werd met onbegrip gereageerd. Na enige verduidelijking was het antwoord; “what do you think, he really wants to fuck her, I think.”  Een echt antwoord op het gedrag van de doffer t.o.v. de duivin is dit dus niet maar duidelijk is het wel.

De doffers proberen de duivinnen te verleiden door boven ze te gaan vliegen en hierbij de duivin te sturen in de richting van hun hok. Daar de dieren ongepaard opgesloten zitten is de weerstand niet groot en rest slechts de vraag "jouw of mijn hok". De flyers spreken van “flying against somebody else, not too far away”, m.a.w. ze hebben iemand anders nodig om tegen te vliegen.
Regels voor het vliegen zijn er niet echt. Als de dieren geland zijn op de til van de doffer of duivin dan trekt men de klep “Hood” omhoog en de duif is gevangen. Deze zogenaamde Hood is een net dat bestaat uit een verzameling ijzeren rekjes die middels een net met elkaar verbonden zijn. Dit geheel ligt gedrapeerd rondom de klep en wordt met een lange lijn in één keer omhoog getrokken.

De gevangen duiven worden naar een centraal hok gebracht. Ze krijgen hiervoor wat geld en men kan ze binnen een week weer terug kopen. De duiven die niet binnen deze termijn verkocht zijn worden geruild met de zusterstad. Dus duiven uit Glasgow gaan naar Edinburgh en de duiven uit Edinburgh naar Glasgow.
James D’Olier, die het ras wederom populair maakte, volgt een andere methode. Ten eerste fokt hij zijn dieren zelf en is hij van mening dat de meeste flyers de dieren te jong individueel laten vliegen.

Bij zijn methode laat hij de jonge dieren eerst als een koppel postduiven rondvliegen. Ook brengt hij de jonge dieren in een mand een aantal kilometers weg en laat ze net als bij jonge postduiven naar huis terug vliegen. Volgens hem zijn de dieren pas na de tweede rui (ca. 18 maanden) geschikt om individueel te vliegen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen.



Koppelen is bij hem belangrijk. Hij koppelt een oude doffer aan een jonge duivin en omgekeerd dit vereenvoudigt de training daar het jonge dier van de oude leert. Na deze training kunnen de jonge dieren terug gezet worden bij hun leeftijdgenoten en volwassen worden. Het is dan ook belangrijk om de jongen te ringen zodat is vast te stellen hoe oud ze zijn. Verder moet je continu met je dieren praten als ze in de lichthokken zitten, slechts dan worden ze je eigen huisdieren en zullen ze beter reageren als je ze terug roept naar hun hok.
Ook vermeld hij op zijn website dat het gebruikelijk is om je duiven thuis in een schuurtje te huisvesten terwijl het vliegen elders gebeurd. Dit vliegen geschiedt op een stukje open terrein waar ze een soort torens bouwen met bovenop een duiven hokje waarop de eerder vermeldde Hood is bevestigd. De duiven neem je mee vanaf je huis en zet je in een mand of lichthokken onder in de toren. De duif/doffer waarmee je gaat vliegen gaat bovenin het hok en vliegen maar. Aangezien er meerdere torens op zo’n terrein staan is dit misschien wel de verklaring voor het eerder aangehaalde “flying against somebody else, not too far away”. Een andere vreemde gewoonte is dat ze in Schotland de duivinnen vaak opbleken met waterstofperoxyde zodat de doffers ze beter zien of sexier vinden. Vreemde lui die Schotten.
Tot zover hoe het in Engeland gaat. In Nederland is de Horseman reeds geruime tijd bekend en was hij in de tachtiger jaren ook erkend als showras.  Er was echter weinig belangstelling voor en nadat hij vijf jaren niet werd geshowd verwijderde de N.B.S. de duif van de lijst van erkende soorten.

Binnen de V.D.S. (vereniging voor liefhebbers van de VliegDuivenSport) dook de duif 3 jaar geleden voor het eerst op. Rob Sekhuis de voorzitter van de vereniging had de duiven gezien bij Harry Wessels en was verrukt van de vliegeigenschappen en het aangename karakter van de dieren. Nu 3 jaar later zijn er zo’n 10 fokkers die gezamenlijk ongeveer 120 dieren bezitten.

Zelf heb ik de Horseman voor het eerst bij Rob thuis gezien. Omdat ik ook in het bestuur van de V.D.S. zit wist hij van mijn interesse voor Spaanse kroppers en Haagse tilduiven en het feit dat ik deze dieren nogal eens verwenste als ze elkaar in de haren vlogen of hun jongen in de steek lieten.

Hij vroeg dan ook al snel nadat hij ze thuis had zitten of ik eens kwam kijken. Een afspraak was snel gemaakt en ik was verbaasd over het vliegen van de jongen. Deze vlogen in een grote groep als postduiven gedurende ongeveer 30 minuten fanatiek rond. Op het hok waren het ook aangename klanten die zorgvuldig hun jongen groot brachten. Toch duurde het nog 2 jaar voordat de eerste dieren bij mij hun intrede deden en dan eigenlijk nog per ongeluk.
Het was in het voorjaar van 2004 dat Rob mij belde dat hij naar de postduivenbeurs in Houten ging om een aantal Schotten te ontmoeten en duiven met hen te ruilen. Bij de duiven die hij van ze kreeg zat een koppel recessief rode dieren waarvoor hij geen ruimte had en dus was de vraag kunnen ze even bij jou zitten dan leer je ze gelijk beter kennen. Zo gezegd zo gedaan. Aangenaam waren ze en kweken deden ze als muizen en al gauw had ik jongen. Het vliegen met deze dieren ging echter niet zo best. Snel Rob gebeld en ik kreeg van hem enige jongen om de rode dieren te stimuleren. De jongen van Rob vlogen bijzonder goed in tegenstelling tot mijn eigen dieren en het vermoeden begon te ontstaan dat het wel eens kruisingen konden zijn t.b.v. de tentoonstelling. Dus zat ik op een gegeven moment met 14 rode kroppers die bovendien zo stijf waren in hun blaaswerk dat ze steil overeind stonden. In één woord waardeloos.
Om de rode kleur te behouden heb ik eerst gedacht om enige dieren aan te houden en in te kruisen in enige zuivere dieren. Uiteindelijk heb ik hiervan afgezien en de dieren uit mijn hok verwijderd. Ondertussen ben ik in het bezit van twee zuivere koppels Horseman kroppers en probeer ik het dit jaar nogmaals in de hoop dat de resultaten beter zijn.
Nader contact met Engeland leverde op dat men de rode dieren had gefokt uit een kruising tussen Horseman , Thuringers en Steigerkroppers. Ook andere kleurslagen ontkomen hier momenteel niet aan want ze worden er zo mooi groot door en intensiever van kleur. Pas dus op als je ze aanschaft en hou in gedachten dat ze niet groter mogen zijn als een Voorburgse Schildkropper. Het is jammer dat men op deze manier waarschijnlijk binnen de kortste keren een ras ten behoeve van een bekertje kapot fokt. We hebben dit echter ook in Nederland al vaker gezien, ook bij onze Spaanse rassen.

Wat men ook vergeet is dat we met dit soort kruisingen ook het karakter veranderen en dat dit veel moeilijker is terug te fokken als het type of de kleur. Het zit namelijk aan de binnenkant en is niet zichtbaar en dus bijna altijd voorgoed verloren.

Ik zou dan ook willen afsluiten met de opmerking hou ze zuiver en keep them flying.

Sijmen van Mourik